Vrienden Van Sabeel Nederland
                voor recht, vrede en verzoening in Palestina en Israël

    Home | Boeken | Donaties | Artikelen |Films | Nieuwsbrieven | Vrijheidsvloot | Young Adults Conf | Links | Contact

 

  
     Oecumenisch Centrum
     voor Palestijnse
     bevrijdingstheologie
 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


           
       
O little town of Bethlehem… 

 

Vier mensen uit Noord Holland kregen in november van dit jaar de gelegenheid (samen met 140 anderen uit heel de wereld -  28 nationaliteiten zijn onder hen vertegenwoordigd) deel te nemen aan de conferentie The forgotten faithfull, georganiseerd door Sabeel, een oecumenisch centrum voor bevrijdingstheologie, gevestigd in Jeruzalem. De website vermeldt dat dit centrum studeert op en zoekt naar mogelijkheden tot geweldloos verzet.
De Arabische naam Sabeel betekent weg. Palestijnse christenen laten zich noemen met de naam waarmee de eerste christenen werden aangeduid: mensen van de weg. En: oecumenisch is ook deze conferentie.  Dat blijkt al bij de openingsceremonie. Vertegenwoordigers van alle Palestijnse kerken zijn aanwezig: Rooms-katholiek, Baptist, Armeens, Grieks-orthodox, Mennoniet, Anglicaans, Melkiet…. het lijkt wel Pinksteren. De oprichter en huidige directeur van Sabeel, Dr. Naim Ateek is gedurende deze dagen een van de vele enthousiaste gastheren. Overal waar wij komen, worden wij gastvrij en met vreugde begroet. Onze aanwezigheid betekent voor onze talloze gastheren en –vrouwen dat zij niet zijn vergeten. En wij voelen ons een beetje beschaamd, want wij worden verwend en beschermd. Er is geen moment geweest waarop er voor ons aanleiding was om bang te zijn, in tegenstelling tot de Palestijnse christenen die hun deuren voor ons openen.  

We bevinden ons deze dagen grotendeels in de West Bank. Voor Palestijnen is dat bezet gebied. Op een Israëlische kaart van heel Palestina worden de West Bank en de Gaza-strook “autonome gebieden” genoemd. Dat laatste is in strijd met de werkelijkheid. West Bank en  Gaza strook zijn niet autonoom. Overal zijn Israëlische check-points, op de meest onverwachte momenten stuiten we op de muur (8 meter hoog), neergezet door de Israëlische overheid, en overal vinden we joodse nederzettingen. Waar ze nog niet zijn, staat hier en daar alvast een caravan op de top van een heuvel. Zo’n caravan in een voorpost van een nieuwe nederzetting in het “autonome gebied”.
In Bethehem en Ramalla betekent de muur afsluiting van de buitenwereld. Wie vroeger op vijf minuten afstand van z’n familie (vader, moeder, echtgenoot, neef of zuster) woonde moet nu een uur omrijden, om vervolgens maar af te wachten of de jonge Israëlische militairen bereid zijn hun Palestijnse medeburgers door te laten. Het kan gebeuren dat dat niet het geval is. Wij maken dat mee. Een bus vol met deelnemers aan de conferentie wordt teruggestuurd van een check-point. In die bus zit een Palestijn met een papiertje dat toestemming geeft tot het verlaten van de West Bank. Hier wordt dat papiertje niet erkend. Misschien wel bij een ander check-pont? Je zoekt het maar uit. Dat betekent weer een uur oponthoud.  

In Ramalla horen we het verhaal van een jonge man die een open hart operatie onderging in Jeruzalem. Na thuiskomst verslechterde zijn toestand snel. Hij moest opnieuw worden opgenomen in het ziekenhuis in Jeruzalem, maar de autoriteiten  gaven geen toestemming. De wanhopige ouders telefoneerden met de behandelend (Israëlische) arts. De laatste deed er alles aan om de Israëlische autoriteiten ervan te overtuigen dat het leven van de jongen afhing van een tweede opname. Het antwoord was “neen”. Na veel gesoebat mocht hij op een middag om 13.00 uur toch het zogenaamde autonome gebied verlaten. Er was veel oponthoud. Om 17.00 uur is de jongen, vlak voor aankomst in het ziekenhuis in Jeruzalem overleden. Hij is een van de velen die niet sterft door een kogel, maar omdat hij een tweederangs burger is.
Alle Palestijnen zijn dat. We vragen het aan een jongen van 17 jaar. Fadi heet hij. Hij woont niet in bezet gebied, maar vlak bij Nazareth, in Israël dus. Hij is, samen met zijn ouders en twee zusjes, meelevend lid van een christelijke gemeenschap. Als wij die gemeente bezoeken, komt hij met zijn twee zussen net uit school. Ze hebben uitgekeken naar ons bezoek en ze vragen ons het hemd van het lijf. Zij gebruiken de Engelse taal. Daar zijn zij trots op en hun ouders ook. Voor onze komst hebben zij op papiertjes visitekaartjes gemaakt met hun namen, adressen en telefoonnummers. Ze willen heel graag contact houden met ons. Fadi geeft samen met zijn zussen les op de zondagsschool. “Wat is het verschil” vragen wij, “tussen de omstandigheden waaronder Arabieren leven in de bezette gebieden en die van de Arabieren in Israël?”.  Zijn antwoord is: ” Zij hebben geen Israëlisch paspoort en wij wel.” “Jullie kunnen dus gaan en staan waar jullie willen?”, vragen wij. “Niet helemaal”, antwoordt Fadi, “wij mogen niet naar Syrië en Libanon, maar” zo voegt hij er berustend aan toe (en nu krijgt hij een oude-mannen-blik in zijn ogen) “verder zijn wij gewoon tweederangsburgers”. 

Elke dag van de conferentie begint met een worship of/en een bijbelstudie.  Op drie van de zeven dagen beginnen we met een niet gepland onderdeel: wij gedenken de gedode Palestijnen van die dag: een paar woorden, een stilte, een kort gebed. Zakelijk en intens. Tijdens de  7 dagen die de conferentie telt, loopt het dodenaantal in de bezette gebieden op tot 60.  Onder hen is (in de Gaza-strook) een moeder met haar baby. Zo wordt zij opgebaard: met haar dode baby in haar dode armen. Een Nederlandse krant bericht in deze dagen dat er zand gestrooid moet worden in de straat waar die moeder met haar kind woonde, om het bloed dat daar vloeide op te zuigen.  

In Bethlehem kan ons geplande bezoek aan de stad niet doorgaan. Een dag daarvoor werden een paar Palestijnse jongeren dood geschoten door Israëlische soldaten. Op de dag dat wij de stad in zouden gaan, worden zij begraven. Men wil ons beschermen. De sfeer is te geladen. Of wij op het terrein van de Universiteit van Bethlehem willen blijven. Een vrouw roept uit de zaal: “Wij zijn toch met z’n 140-en ? Kunnen wij dan niet aanwezig zijn om onze solidariteit te tonen?” Dat lijkt mij een verlokkelijk aanbod voor onze gastheren en- vrouwen. Het antwoord is kort en goed “Neen. Te gevaarlijk”. Wij moeten binnen de veilige muren van de universiteit blijven.  

Eén van de grootste zorgen in de Palestijnse christelijke gemeenten is de emigratie. Na een week kijken en luisteren is het onze indruk dat de Palestijnen systematisch worden weggepest uit hun eigen land. Wat voor hen overblijft is: wonen in enclaves, afgesneden van hun familie, van water, van goede gezondheidszorg, van hun heilige plaatsen en van hun akkers, de enige bron van inkomsten die zij hebben. Dat houdt geen mens uit. Degenen die blijven, blijken sterk, trots en vol levenslust. In Ramalla en in Nazareth worden wij ’s avonds getrakteerd op een avondvullend programma, verzorgd door de jeugd onder leiding van professionele krachten.  Zij zingen het dak van het plaatselijke culturele centrum en zij dansen met zoveel vitaliteit dat wij opgeheven worden tot de hoogten van het Hooglied.

 Onder ons zijn er momenten van wanhoop. Dan vragen wij: “Hoe houden jullie het vol? Waarom haten jullie de Israëli’s niet?” Onze vraag wordt steeds beantwoord met een wedervraag: “Heeft Jezus ons niet bevolen, onze vijand lief te hebben?”
Een antwoord wordt ook vaak gehoord: “Wij haten de Israëli’s niet. Zij zijn onze broeders en zusters. Wij wonen in het zelfde land. Zij zijn dus onze mede-burgers. Maar we hebben wèl kritiek op de regering. Die voert al jaren hetzelfde bewuste en weldoordachte beleid. Dat beleid is erop gericht dat wij vertrekken en dat de staat Palestina alleen voor joden is.”
In dat verband vallen steeds dezelfde woorden die in Nederland taboe zijn. Wij hebben die gruwelijke en beladen woorden dagelijks gehoord en opgetekend: apartheid, segregatie, onderdrukking, rassenzuivering, kampen, townships. 

En dagelijks zingen wij als uit één mond:
The church’s one foundation is Jesus Christ her Lord 
(Liedboek der Kerken 303).
En wij, Hollanders, Protestanten, nog dik in de problemen rond de samenvoeging tussen drie Nederlandse kerken, schamen ons de ogen uit het hoofd. 

Straks vieren wij het Kerstfeest. Dan zingen we graag dat  mooie lied: O little town of Bethelehem….
Bethlehem is anno 2006 een ghetto. Haar burgers lijden – jaar in jaar uit - onder onrecht, onderdrukking en willekeur. Wie blijft, is z’n leven niet zeker. 

Willemien Keuning